Hardlopen, als tijdverdrijf. Zo'n vier, vijf keer in de week trek ik voor of na het werk mijn hardloopschoenen aan. Meestal voor een uurtje. De ene keer rustig aan (zo'n vijf minuten per kilometer); de andere keer wat fanatieker (ik haal dan vier minuut 20 per kilometer). Ik loop per week tussen de vijftig en negentig kilometer. Anderhalf jaar geleden ben ik weer begonnen. In het tempo van twee minuten hardlopen en twee minuten wandelen. Altijd 's avonds laat. Iedereen die je kent ziet je altijd als je aan het wandelen bent, nooit als je vloeiend, scheefhangend op volle snelheid de bocht doorgaat. Niet dat dat laatste ooit gebeurt, maar het idee dat. Spoedig lukte het om een kwartier, twintig, dertig minuten hard te lopen. Dan komt de tien kilometer in zicht en dus ook de vijftien. Je laat je weer verleiden tot een wedstrijd: gelijk maar de Zevenheuvelenloop (15 km) in Nijmegen; weet je zeker dat je niet alleen hoeft te lopen. Dus in 2009 met 25.000 andere lopers van start en 1 uur 10 minuten en 32 seconden later was ik terug. En ik baalde van die laatste 33 seconden. Daarna komen de verder weggelegen doelen: halve marathons en in 2012: opnieuw de marathon van Rotterdam.